zaterdag 5 oktober 2013

Begrippenlijst Web 2.0

Dit zijn alle begrippen uit de college sheets van Tom Spanjaard die wij moeten kennen voor het tentamen van Web 2.0 op maandag 14 oktober om 2 PM.

Fad = een slecht iets/negatief.

Social media = een platform/internet toepassing waarmee mensen snel en gemakkelijk informatie kunnen delen zondar tussenkomst van een professionele redactie.

HTML = (HyperText Markup Language) een “taal” waarmee webpagina’s en andere informatie getoond kan worden in een webbrowser.

Comversie
= omzetting, het omzetten van gegevens van het ene bestandsformaat naar het andere.

4G = (4th generation) een vierde generatie mobiele-telecommunicatiestandaarden.

Retweet = een tweet van een ander “doorsturen”.

CSS = (cascading style sheets) een techniek voor de vormgeving van webpagina’s.

CSS = (cross-site scripting) een benadering voor een type bedreiging voor de beveiliging van computers die in webapplicaties zitten.

Flash = een vorm van computergeheugen.

Buzz = een hype, Google Buzz is een social network.

Community = een (online) gemeenschap.

CMS = (content management system) een programma waarmee je berichten kan publiceren op internet.

Usability = gebruiksbaarheid.

API = (application programming interface) specificaties over hoe verschillende software samen zouden moeten werken.

The Cloud = een concept waarmee verschillende computers met elkaar kunnen verbinden door internet.

SPAM = een elektronisch bericht waarmee veel mensen in één keer bereikt kunnen worden.

OpenID = een dienst waarmee je met één account op verschillende websites kan zonder nieuwe wachtwoorden aan te hoeven maken.

IDEAL = een betaalmethode waarmee consumenten hun online aankopen snel en veilig kunnen afrekenen.

Glasvezel = een lange vezel waar licht doorheen wordt gestuurd om zo signalen betrouwbaar over grote afstanden te kunnen transporteren.

Hoax = een nepverhaal/niet waar.

Content = tekst of beeld op een website.

Ontvrienden = iemand verwijderen als vriend op social media.


Widget = een kleine applicatie met beperkte functies dat geïnstalleerd kan worden op een webpagina.

Android = een besturingssysteem voor mobiele telefoons en tablets.

HTML5 = een “taal” die gebruikt wordt voor het structureren van content op het internet.

QR-code = (quick response code) een barcode die gescand kan worden en leidt naar een webpagina.

Open-source = een computer programma waarmee je een licentie op je werk kan zetten (copyricht op “plakken”).

Database = een georganiseerde collectie van informatie.

Lifehacking = iets waarmee je je leven kan verbeteren/makkelijker en sneller kan werken. Dit kan van alles zijn.

Eniac = de allereerste computer in 1953.

Web 1.0 = webpagina’s zonder interactie.

Web 2.0 = webpagina’s met interactie (delen en reageren).

Crowdsourcing = de menigte (via het internet) gebruiken als wijsheid.

Crowdfunding = een alternatieve wijze om een project te financieren. Mensen investeren geld in projecten die ze werkelijkheid willen zien worden.

Crowdspeaking = spreken voor een groep mensen.

Spideren/Crowlen = het doorzoeken van een complete website door een spider of robot van een zoekmachine.

Google adwords = een online advertising tool.

Google scholar = zoeken op alleen wetenschappelijke artikelen.

Ambassedeur = vertegenwoordiger van jouw bedrijf (consument).

Adblocker = een toepassing voor je webbrowser die alle reclame blokkeert.

PTT-Telecom = (voorganger KPN) bracht de eerste mobiele telefoon naar Nederland in 1994.

Augmented reality = een live (direct of indirect) beeld van de werkelijkheid waarin elementen worden toegevoegd door een computer. Deze elementen bevatten vaak extra informatie over de omgeving.

Foursquare = een social network dat helpt je zoeken naar leuke plekjes bij jou in de buurt.

Track & Trace = zien waar je post nu is (de status).

Internet of things = voorwerpen (zoals een lamp) die ook met het internet verbonden zijn.


Big-data = de term voor een collectie van informatie die zo groot is dat het moeilijk is om te processen met gewone database management tools en applicaties. Eindeloos veel data.

Kliks = het aantal keer dat je op een webpagina bent geweest.

Device = een toestel zoals een laptop, telefoon en tablet.

Browser = een toepassing waarmee je op het web kan surfen.

Traffic source = de pagina waarop je het laatst geweest bent voordat je op de pagina kwam waar je nu op bent.

Privacy = een afweerrecht dat de persoonlijke levenssfeer beschermt.

Online cookies = een klein bestandje dat op je computer wordt opgeslagen om surfgedrag bij te houden.

Autoriteit Consument & Klacht = een organisatie die je helpt spam te bestrijden.

Disconnect = een browser toepassing waardoor het web sneller wordt, je meer privacy hebt en meer zekerheid/veiligheid.

Tag = een keyword of term die gekoppeld is aan een stuk informatie.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten